Paul van Dongen

Openingswoorden van Willem Jan Otten

Studio Van Dusseldorp (Willem Jan Otten)

Openingsrede tentoonstelling Nieuw Werk van  Paul van Dongen, Studio van Dusseldorp te Tilburg,

21 maart 2010

 

Paul, als er één verhaal is dat op jouw werk van toepassing is – dan is het dat van Adam en Eva die zich, als ze beseffen dat ze de grote afspraak die ze gemaakt hebben, niet zijn nagekomen, plotseling naakt weten. Tot op dat moment waren ze paradijselijk geweest (tegenwoordig zeggen we liever: natuurlijk), dat wil zeggen: met helemaal geen kleren aan, maar dat hadden ze, net als kleine kinderen aan het strand, niet gemerkt. Ze waren, zoals wij dat noemen, bloot geweest, niet naakt. Maar nu zij beseffen dat ze helemaal zelf, door eigen toedoen, brekers zijn van een belofte, nu voelen ze zich plotseling naakt.

Het is algemeen bekend: de geschiedenis van de mensheid is ook de geschiedenis van haar naaktheid, van de schaamte, van het beschermen van het lichaam tegen blikken. We leven in een tijd waarin het lijkt alsof we geen taboe meer kennen rond het menselijk lichaam – en toch lijken we er banger voor te zijn dan ooit, en schenden, mutileren, vernederen mensen het lichaam openlijk – soms denk je wel eens: openlijker dan ooit in de geschiedenis.

Paul, jouw werk staat middenin de beeldenvloed van lichamen waar ieder mens mee te stellen heeft. Het wil er een reactie op zijn. Dat realiseerde ik me toen ik twee maanden geleden een stuk schreef ter inleiding van een boek over het Mannelijk Lichaam dat Arie Boomsma en Stephan Sanders hebben gemaakt. Dat boek en dat essay van me moeten nog verschijnen – maar ik wil je graag voorlezen hoe ik jou en je werk daarin heb verwerkt.

 

‘Laatst sprak ik etser en aquarellist Paul van Dongen, wiens verbluffende kunst uit lichamen bestaat. Hij is een tentoonstelling aan het voorbereiden met alleen etsen van mannenlichamen en aquarellen van vrouwenlichamen. De etsen zijn letterlijk manshoog, ze worden gedrukt op een pers ter grootte van een achtertuintje, op muurwijde vellen papier. De lichamen zijn steeds naakt, en steeds is Van Dongens lichaam het model. Ook op één van zijn laatste dingen zijn zes mannen te zien, zes om ontferming smekende, handenwringende, hun hoofd in schaamte of afgrijzen afwendende figuren die op een onnavolgbare wijze op elkaars schouders gezeten zijn, waardoor er een soort vlechtwerk van ontredderde poses ontstaat. En alle zes de mannen hebben hetzelfde lichaam: dat van Paul van Dongen. Dat ik overigens nog nooit anders dan geëtst heb gezien, hij is een uitgesproken gekleed mens.

De kunstenaar vond het belangrijk dat ik de ets ‘op de hand’ bekeek, dat wil zeggen: van dicht bij. Het vel lag op de vloer van de woonkamer, en wij hurkten en knielden langszij. Het ding mag dan twee meter hoog zijn, een ets is een ets, dwz: opgebouwd uit dezelfde haarfijne streepjes als waarmee een Gustav Doré-illustratie van Dantes Hel is gemaakt. Ieder streepje is even dun, net zoals bij kantwerk de zijden draad altijd even dun is.

Hij had er drie maanden over gedaan, streepje voor streepje had hij lichaamsdeel uit lichaamsdeel laten ontstaan, voetbeentje voor voetbeentje, knieschijf voor knieschijf, testikel voor testikel, biceps voor biceps, wenkbrauw voor wenkbrauw...

In den Beginne was een krasje.

Ik keek letterlijk mijn ogen uit. Maar ik had in het geheel niet de sensatie naar Paul te kijken, terwijl ik hem, als ik even afstand nam om de zes mannen in het totaal van hun compositie te zien, toch echt herkende. In alle zes.

Wat was dit voor kijken?

Paul zei dat hij beslist niet wilde opscheppen, maar hij had, begrijp me niet verkeerd, het gevoel dat hem, op mijn niveau natuurlijk, iets aan het lukken was wat hij bij Michelangelo vaak had gezien: menselijke figuren die, vóór ze geschilderd worden, al gebeeldhouwd lijkten te zijn. Of geboetseerd.

‘Het lichaam moet mannelijk zijn’ zei hij, terwijl hij wees naar één van de minutieuze penissen, waarvan hij zei dat hij de plooitjes rond de eikel met een loep had geëtst, vijf jaar geleden kon hij dat nog met het blote oog, ‘maar ik probeer de pose vrouwelijk te laten zijn’.

De ets heet ‘Deemoed’, de figuren drukken een onmiskenbare onderworpenheid uit – alsof ze door eigen toedoen in ontreddering verkeren. Ze wenden zich af, van een overmacht, alsof ze liever niet gezien werden, en tegelijkertijd lijken ze zich tot die overmacht te richten.

‘Haïti’, zei ik – want het waren de dagen dat de kranten en de tv-schermen gevuld waren met dode lichamen en wanhopige poses.

En ik vroeg me ook af of hij met een ets als deze op zijn manier de geschiedenis van de naaktheid becommentariëert – of hij met zijn streepjes-evenbeeld niet eigenlijk Adam ongedaan probeert te denken, en hem zo naakt hij kan richting Oordeel dirigeert.

Soms drukt een kunstwerk precies dat uit wat je in de werkelijkheid nooit zult kunnen fotograferen of filmen. Mensen die hun aangezicht verbergen achter wringende handen. Je krijgt dan een pose te zien – aangenomen door een naakt lichaam.

Het trof me intussen dat hij precies dat wat Deemoed zo sterk en krachtig maakt ‘vrouwelijk’ had genoemd.

En ik dacht: hij heeft gelijk, het beeld is krachtig omdat het zwakheid uitdrukt. Als de tegenstelling ‘mannelijk’ ‘vrouwelijk’ zin heeft, dan alleen wanneer we naar het vrouwelijke mogen kijken als naar iets dat zich voor onze blik verbergt. Het wil niet naakt en onbeschermd zijn. Dat Paul van Dongen dit aartsvrouwelijke uitdrukt met zijn eigen, zesvoudige, mannelijke lichaam, maakt zijn kunst mannelijk. Want dat is dan ‘het mannelijke’ (waar vanzelfsprekend ook de vrouw die creëert over beschikt) van de ets: niets, maar dan ook niets, blijft verborgen voor Van Dongens blik.’

 

Paul, bij mijn weten heb jij vrouwenlichamen nooit geëtst. Het is alsof je de brute techniek van metaal, stalen naald, bijtend zuur, niet wil of kunt loslaten op het vrouwenlichaam – alsof jij haar dáár voor wil behoeden.

Je vrouwenfiguren zijn gewaterverfd. Dat wil zeggen: terwijl je kijkt probeer je haar in één keer, liefst in één beweging op papier te krijgen. En daarna droogt ze uit zich zelf op.

Jouw werk speelt zich af in de spanning tussen ets en aquarel. Tussen griffen en strijken. Tussen anatomische blik en je ogen neerslaan. Want hoe goed jij ook kijkt (terzijde: een portretschilder, een vriendin van me, zegt van jouw etsen: hij ziet altijd meer dan je denkt dat er te zien is, ze vindt het eigenlijk griezelig) – hoe goed je ook kijkt, op je aquarellen is het alsof je op een bepaalde manier ook wegkijkt, zoals dat nu eenmaal gaat als iemand onbeschermd bloot voor je staat. En weer gaat het om de kracht van de weerloosheid. Weer is het alsof je van naakt weer bloot wil maken, alsof je iets herstelt. Heelt. Verzoent.

Hoe jij je, met al je techniek, je vakmanschap, je bijna genadeloze anatomische blik die dwars door huid en oppervlakte heen kijkt, toch ondergeschikt probeert te maken aan wat je wil, of moet zeggen – hoe je je zelf wegcijfert, tot instrument maakt – een mysticus zou zeggen: hoe je je zelf ontledigt -, enfin, hoe je je klein maakt om de werkelijkheid, het geschapene, te dienen met je ogen: het is een groot voorrecht om dat mee te mogen maken. En het is heerlijk om de resultaten te zien. Ik ben er trots op dat ik mag zeggen: hierbij is deze tentoonstelling geopend.

 

Willem Jan Otten.