Paul van Dongen

Openingstoespraak Willem Jan Otten

galerie Witteveen (Willem Jan Otten)

Paul,

 

Er gaat geen dag voorbij of ik zie iets van jou – in de woonkamer een levensgrote ets van een knoestige stronk, in de hal twee waterverven – een Christus en een Maria Magdalena, in het trappenhuisje naar mijn werkkamer een portret dat je van mij maakte, - een portret zo onverbiddelijk gelijkend dat ik het op moest hangen waar het zo min mogelijk door anderen dan mij wordt gezien, en als ik er naar kijk dan denk ik altijd; zie je wel – wat een goed begin van de werkdag is, zie je wel denken. En op mijn werktafel staat, waar ik ook ben, een vlekkerige, mislukte proefafdruk op groezelig kartonnig papier van een Christuskop. Dat is mijn reisvandongen.

Ik zie je dus dagelijks – maar wat voor kijken is dat?

Ik bedoel: ik geloof om te beginnen niet dat ik je werk in de eerste plaats mooi vind. Neem de stronk in de woonkamer. Die hangt hier niet. Hij is een ets. Ik geloof niet dat ik ooit zoiets minutieus’ heb gezien. Een stronk bestaat uit schors, en stukken ontvelde stam, uit plooien en plooitjes, uit poriën, uit afgeknotte

takken, uit de littekens van de dichtgegroeide wonden waar toen de stronk nog een boom was takken zijn afgerukt, uit de sporen van de bijl, laat ik die klieven noemen.

Als jij etst is je stijl objectief, genadeloos bijna. Een vriendin van mij, die portretten schildert en in mijn ogen verschrikkelijk goed kan kijken, zei toen ze jouw stronk zag: ‘Die Paul van Dongen van jou die ziet volgens mij altijd meer dan wie dan ook’. Zo had ik er niet over gedacht toen ik jouw stronk bemachtigde. Dat ik, als ik maar lang genoeg naar jouw stronk zou kijken, op den duur meer dan ook dan wie dan ook zou zien.

Want zo is het toch – als je kijkt naar de kunst van een zo kijkende kunstenaar als jij bent, dan kun je, als je geduldig en aandachtig bent, zien wat hij heeft gezien.

Het is moeilijk te beschrijven wat er gebeurt als je je zo verliest in de steeds maar onbeduidender details van jouw etsen. Alles wordt terwijl je kijkt streepje. Of eigenlijk: kerfje. De stronk bestaat uit honderdduizend kerfjes die jij echt in de was van je etsplaat hebt gezet, en het zuur heeft zich via die kerfjes weer kerfje voor kerfje gebeten in de plaat. En eenmaal afgedrukt is  het alsof ik, als ik echt aandachtig naar je stronk kijk, zelf met mijn ogen ieder streepje zet.

Ik heb me vaak afgevraagd waarom ik, in jouw geval, het gebruik van een zo overbodig geworden, door de moderne tijd ingehaalde techniek als etsen niet kitschig of nostalgisch vind.

En dat komt doordat jij van je kijken, dankzij deze techniek, zoiets lichamelijks maakt. Kerfje voor kerfje. Het effect is contemplatief. Het is ondenkbaar dat een moderne techniek, zoals fotografie, deze Van Dongense lichamelijkheid kan evenaren.

Dit kervende kijken is extra merkwaardig als je naar jouw lichamen kijkt, de monumentale vallende mannenfiguren. Wat je ziet bestaat niet – je kunt het nooit in het echt gezien hebben, groepen naakte vallers zonder parachute. Het is, vind ik, danig aangrijpend – zulk vallen, zulk verstoten zijn van richting en doel, zoveel vertwijfeling, om ’t eens op z’n Kierkegaards te zeggen.

Het is volkomen onmogelijk om dit naar het leven geschilderd te hebben. (Het is wel leuk om het je voor te stellen: dat jij je met je etsplaat uit een vliegtuig stort, gevolgd door acht naakte mannen, die jij dan rustig begint te etsen.) Toch is alles wat jij maakt naar het leven. Dat heb je me afgelopen zomer verteld, toen we lange gesprekken hebben gevoerd ter voorbereiding van een boek over jouw etskunst. Jij moet wat je op papier wil krijgen voor je hebben. Daarom zijn jouw naakte mannen ook altijd dezelfden, namelijk jij zelf. Ik kan me er geen voorstelling van maken zonder pijn in mijn nek te krijgen, hoe jij dat doet, in welke posities staande en zittend en gebogen over welke spiegels jij je zelf naar het leven tekent. Jouw werk zou moeten hangen in alle herniaklinieken van Nederland. Jouw werk is überhaupt een soort antidotum voor pijn, voor onrust, ik denk dat jouw Christuskop daarom op m’n werktafel staat. En toen ik door je geportretteerd werd zag ik hoe letterlijk waar het is – dat jij naar het leven werkt. Het was een wonderlijke ervaring om te merken aan hoe jij keek dat je in het geheel niet naar mij keek, maar naar hoe ik in elkaar zat. We hebben, geloof ik, nooit ontspannener en vrijer met elkaar gepraat als tijdens die zittingen – het was alsof het deel dat keek en werkte los was gekoppeld van het deel dat aan het vertellen en kletsen was.

De expositie bestaat niet alleen uit streepjes en kerfjes – maar ook uit vlekken. Je waterverfwerk is volslagen anders dan je etswerk – het diametraal tegenovergestelde. Welbeschouwd is een waterverf een vlek.

Daar begint het mee – met het maken van een vlek op dik papier. En vervolgens moet in korte tijd die vlek zó bewerkt worden, met enkele handbewegingen, dat er te zien is wat jij aan het zien bent. Want juist ook je waterverfwerk is naar het leven. Het is het enige werk – naast je portretten – waar je een model, een ander voor nodig hebt.

Het is moeilijk om niet ontzettend dol te zijn op jouw vlekken. Antoine Bodar noemt het je ‘milde werk’. En voor mij is één van de raadsels van dat werk dat het naar het leven is, naar steeds één herkenbaar (en vaak terugkerend) model, en dat je tóch iets ziet wat nooit te zien is geweest.

Niet, zoals in de grote etsen, vallende vertwijfeling, maar iets intiemers. Je vangt het moment waarop iemand zich richt tot een macht buiten zich zelf. Of waarop hij of zij zich binnenwaarts keert. Met als hoogtepunt, op deze tentoonstelling, de allerlaatste dingen die je maakte – de slapende Jezussen, die je zonen hebt genoemd.

Dat zijn geen vlekken meer, dat zijn zeepbellen. We zullen echt heel voorzichtig naar ze kijken, anders spatten ze uit elkaar.

 

Paul, ik feliciteer je – met je werk dat én in de ziel kerft én als een zeepbel onaanraakbaar voor ons uitzweeft. Je werkt naar het leven, maar wat we zien is niet te beschrijven – het is een voorrecht om de groei van jouw trouwe, vasthoudende oeuvre mee te maken.

 

 

 Willem Jan Otten